Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3co VE RDEEDIGING VAN DEN,

ZESDE TEGENWERPING.

„ De Schrijver zegt:dat die wet,welke denmensch i, zijnen pligt omtrent God voorfchrijft, wel de be„ langrijkjle is, dog hij ontkent, dat deeze wet de 55 eerfte zij. Hij wil dat de eerfte wet van de na„ tuur de wet van vreede zij, dat de menfchen zijn „ begonnen met eikanderen te vreezen, enz. Daar 5, ondertusfchen de kinderen weeten , dat de eerfte „ wet leert, dat men God lief moet hebben, en de „ tweede, dat men zijnen naaften moet beminnen „ gelijk zig zeiven."

ANTWOORD.

Laaten wij den Schrijver zeiven hooren. Hij zegt (ï) i

Die wet, welke in onze harten het denkbeeld van eenen Schepper indrukt, oen ns tot hem drijft, is de eerfte van de wetten der natuur, om desze/fs gewigi, dog niet in den rang van deeze^wetten, De mensch zoude in den ftaat der natuur meer een vermogen hebben van tot kundigheden- te geraaken, dan dal hij weJenlijke kundigheden bezitten zou. Het is vrij klaar, dat zijne eerfte begrippen geene befchouwende denkbeelden zouden zijn; hij zou, wel verre van, in de eerfte plaats onderzoek te doen naar den oorfprong van zijn weezen, zijn eerfte werk maaken, om zijn weezen te bewaaren. Een dergelijk mensch zou aanftonds mets met zoo veel hevigheid gewaar worden, dan zijne

(s) I. Boek, 2. hoofdfl. ' ■

Sluiten