Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bewyzen voor eene algemeene Zaligheid, j^f

Wys, Trf aJTOTotcof £v «Moit aStx$ois, Rom. VIII: 29. kan eigenaartiglyk door deze, uit Kolosf. I: 15, verklaard worden. Die veie broederen, daar ter plaatfe, beteekenen bet zelfde met alk fchepfelen hier, dat is, alle redelyke fchepfelen, alle menfchen. Want men moet wel opmerken, dat dé voorname reden, die gegeven wordt, waarom Kristus vleesch en bloed deelachtig werd, is, gelyk de fchryver des briefs aan de Hebreeuwfche Kristenen het uitdrukt, Hoofdftuk II: 14, „ om dat de kinderen doar aan deelachtig zyn\ De kinderen , dat is, ieder Zoon en Dochter van Adam, het ganfche menfchelyke geflacht; want met uitzigt op ieder mensch, en met oogmerk, om zyn leven te kunnen geven ten randfoen voor ieder mensch , hoofd voor hoofd ^ werd de Kristus, een wyk tyds, minder dan de Engelen, of, met andere woorden, werd vleesch en bhed deelachtig, gelyk 'er is in 't 9 vers van dit hoofdftuk. — Kortom, hec is hoogst waarfchynlyk, om niet meer te zeggen, dat de Apostel, als hy hier van de eerflelingen des Geesles , met opzigt op de giften en genadegaven, aan de eerjlé Kristenen gefchonken, melding maakt, ons tevens wil inboezemen, dat deze giften ën genadens aan het geheele menschdom zullen befteed worden; of, dat deze Kristenen, met betrekking tot alle menfchen, dat geene zyn, 't welk de eerflelingen, onder de Jooden, waren, ten aanzien van den geheelen volgenden oogst.

K 3 4aüh

Sluiten