Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■over luk. XIX. vs. 41, 42. 33

hebben wij de verblinding tot den hoogden trap doen fteigeren.

# & #

Ongelukkig Mensch! wie gij ook zijn moogt, kunt, of wilt gij de waarheid niet

zien, welke zoo luisterrijk fchittert?

Zou zij nog te verr' van uw gezicht verwijderd zijn, of fluit gij uwe oogen voor haar licht? — Zou dan die beste Leidsman der dwaalenden, die eenmaal zoo nabij de Stad Jeruzalem was , van ons zoo oneindig verr' geweken zijn, dat wij hem, zelfs met de oogen des verftands en des geloofs, onmooglijk meer zouden kunnen bereiken? Zou hij zich, dan op eenmaal, en voor altijd, aan ons oog hebben onttrokken? Neen: hij is nabij een' ieder onzer. Zelfs de dag van heden, waarbij wij • ons zijne traanen herinner'den, heeft hein aan ons vertegenwoordigd,' als eenen Redder en Verlosfer, die altijd gereed is, ons aan te nemen, indien wij Hechts genegen zijn, om ons zijne redding ten nutte te maaken. ,, Ziet! de hand des Heere „ is niet verkort, dat hij niet helpen, noch 5, zijn oor verftopt, dat'hij ons niet hooren C „ zou.

Sluiten