Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdft. VIL Over Christus. 15

gcfprooken wordt. Twee hoofdgevoelens treft men aan, waar over de christelyke Leeraars reeds lange vóór de Synode te Nisea zyn verdeeld geweest, terwyl naamlyk eenigen hem voor een fchepzel en wel van eene byzondere natuur, en anderen voor een zodanig wezen hielden, hetwelk uit het Wezen of de natuur van God zeiven uitgegaan , en daarom van hetzelve niet wezenlyk onderfcheiden zy. Het eerfte was, gelyk elk weet, het denkbeeld van Arius. Zonder 'er echter eens van te gewagen, dat reeds vóór hem Lucianus de martelaar dit gevoelen gekoesterd had, en dat verfcheiden Bisfchop, pen in de vierde eeuw even zoo dachten, was dit, evenwel een gevoelen, hetwelk toen niet eerst uitgedacht, rmar reeds lange te vooren door verfcheidene Christenen aangenomen was. Paulus noemt hem den Zoon van God , den eerstgebooren van alle fchepzelen. Johannes noemt hem in de Openbaaïinge het begin der fcheppinge; en deeze uitdrukkingen gaven 'er waarfchynlyk aanleidinge toe, om hem mede te plaatzen in de reye der dingen, die God door zyne machtfpreuk en wil hadt voortgebracht. Men onderfcheidde hem evenwel zoodanig van dezelve, dat men hem niet alleen ten opzichte der voorbeftaanlykheid een voorrecht boven die inruimde , maar ook geloofde, dat hy van dezelve wezenlyk onderfcheiden was, en tusfchen deeze en de Godheid, als het ware, iu het micden ftond. Zoo dacht reeds Dxonyskis van AUxan&rïèn in de derde eeuw (AV). .Athanasius heeft hem, wel is

waar,

(A) Huetius %n Origenianis. Quce:>. II. p, 36.

Sluiten