Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228 Hoofdft. XIII. Over Menschlyk

leenen, hetwelk zich niet laat gebieden. Tot nog toe is 'er zoo verre de gefchiedenis van het menschdom ons leert, geen dwingeland op den inval gekomen, om te eisfchen, dat alle onderdaanen var zyn ryk dezelfde denkteelden moet hechten aan de voorwerpen, die hy zelfs daar mede verbindt; maar zoo veele hoofden zoo veele denkwyzen zyn 'er altyd gebleeven. De Kerke echter, of veel meer het in dezelve gevestigde menschlyk gezag, heeft zich deeze meer dan Godlyke macht overhaare kinderen aangemaatn-d, dat alle menschlyke zielen, wanneer zy tot dezelve behooren wilden, zich in die plooijen moesten fchikken, die men hier en daar gevouwen hadt. — En de gevolgen, welken daar uit ontftaan zyn, zyn fcheuringen onder de Christenen geweest, verknocht met den bitterften haat van beide partyen: en dit is iets, hetwelk geheel en al ftrydt met het oogmerk van Jezus Godsdienst, waar in geen menschlyk gezag, maar dat van den Heere Christus alleen te pas komt, en al het verdeelen in partyen wegens menschlyke verklaaringen, in de fmaak der heidenfche Wysgeeren van onderfcheidene fchoolen geheel en al verworpen wordt (li).

Het ftaat, wel is waar, elk, niettegenftaande deeze eisfchen, vry, om van de eene party tot de andere over te gaan, wanneer het hem niet behaagt, om zich aan zulk eenen dwang te onderwerpen •*

(7j) i Cor. III: 19 enz. en Semleus Omfchryving er aanmerkingen daar by.

Sluiten