Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 OVER DE GODDELYKE HARTSTOGTEN.

by zou gaan, by aldien hy in ftaat was, om balfem en oly in de wonden van een' rampzalig' lyder te gieten, dien hy op zynen weg ontmoette?

S 45-

En God, die de rechtvaardigheid en liefde zelve is, zoude onfchuldigen en rechtvaardigen kunnen laaten verdrukken zonder 'er zig in het minften aan te kreunen; zonder den verdrukker zyn misnoegen en verbolgenheid daar over te doen ondervinden! God zou met onverfchillige en onaandoenelyke oogen het jammeren en handenwringen der rampzaligen kunnen aanfehouwen; met doove ooren her gekerm der elendigen kunnen aanhooren; en niet met drift alles in 't werk ftellen, wat met zyne wysheid en overige eigenfchappen beftaanbaar-is, om hunne rampen te verzagten; en hunne traanen op te droogen! Dan was Hy, (wie durft zulks denken?) minder volmaakt, dan. de mensch. Neen, Wil men den Leevendigen, Alomtegenwoordigen en altooswerkzaamen God niet tot een leevenloos blok maaken, (het zy met eerbied gezegd;) Wil men hem niet gelyk ftellen met dien God, daar de Profeet Elias 1 Kon. 18 v. 27. van gewaagt: zo kan men hem onmoogelyk als een weezen befchouwen, dat van aandoeningen ontbloot is.

§ 46.

Na deeze overweeging der Goddelyke natuur , neeme men eindelyk nog in aanmerking, dat God de fchepper deezer waereld is; En in deeze betragting zal geen minder goede en bondige grond gevonden worden, om in

Hem

Sluiten