Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132 HOLLANDS

nius leest, dat het gebruik van die visfehen zeer fchadelijk word, door de verfcheiden faufen, met welken zij worden toebereid (#) ; en dat de engelfche oelters de voorkeur* verdienen, boven alle anderen (£), zal men dan nog in twijffel trekken, of de bewooners van onze ftranden en zeekusten werk gemaakt hebben van visfehen, voor dat 'er de Romeinen kwamen ; of (zoo zij al eens van 't visfehen niets geweeten hadden) nimmer van de Romeinen zullen geleerd hebben, hoe zij uit het water, een goed en bekwaam voedfel konden krijgen? Zal men denken, dat de Romeinen, op visch verlekkerd, aan en bij onze ftroomen, van die aangenaame fpijze zul • len afgezien hebben, en dat zij dit middel van onderhoud voor hunne legers zullen hebben verwaarloosd ? en bijaldien dezelve zich 'er van bediend hebben , dat nochtans de bewooners dezer gewesten dat zullen hebben aangezien, zonder trek tot visfehen, en tot het eeten van visch te krijgen? Zoo 't ons voorkomt, is dit alleronwaarfchijnelijkst en ftrijdig met de natuurlijke geaartheid van den mensch, waar hij woone,, en hoe hij anders gefteld zij. Gebruikte men fchepen in zee, om den visch Anthias, om fpongien, om paarlen te visfehen, wat waarfchijnelijkheid , dat dezelfde fcheepslieden achtergelaaten zouden hebben, om met dezelfde fchepen visch totdagelijksch onderhoud te vangen.

Het gebruik van fchepen, tot de visfeherij aangelegd, kan ons overtuigen, dat men in de vroegfte tijden, zoo verre de Hiftorien ons eenig licht kunnen geeven, niet Hechts op de oevers en ftranden, maar ook met fchepen aan 't visfehen in de ruime zee is geweest. Fet was met een visfchers fcheepjen, dat Appius Claudius den vijand op de ftroomen ging be-

fpie-

<-a) ;. c. C. 34- (b) l. c. L. XXXII. C. 6.

Sluiten