Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17* B IJ L A A G E R.

ge weinige verzagcinge gevraagt , omtrent de conditiën , waar op haar gevergc wierd de flaven ce leveren. Tweede Reeden.

Dat de W. I. C. geen recognitie, of andere zaaken, vraagen mag, dan conform haar octrooy, en dat dezelve abfoluc onbevoegt is zulks te vraagen van eenige fcheepen, die niet vaaren uic kragt van derzelver confent, maar uic kragc eener fpeciale conceffie van H. H. Mog., vervolgens mede 'niec van de fcheepen, vaarende op de Barbice, als vaarende uic krachce van acfen en conventien, mee weeren en concurrentie van H. H. Mog. als even hier boven aangeweezen.

Toe juftificacie van 'c voorfz. raifonnement, beroepen Directeuren zig op hec octrooy, aan de W. I. C. verleenc, wanc daar uic ce zien is:

Eensdeels, dac H. H. Mog. aan zig behouden de faculceyc, om ook andere parciculiere ingezecenen ce octroijeeren, om buyten de Comp. te vaaren, op plaatfen , alwaar de W. i. C. geene daadelyke poffeffie heeft.

En anderdeels , dac aan de Comp. geen andere recognitiën worden gepermitteerc, als een laften van de zulken, die zonder particulier octrooy van H. H. Mog., en met confent van dezelve Comp. zullen beftaan te vaaren.

Waar voor daar en boven te groocer redenen zyn, om dac hec de incongruityc zelve zoude zyn , dac een fchip, vaarende mee confenc van h. H. Mog. als reprefencerende de 7 Provinciën, en dus den Souverain van den Lande, daar en boven eene cweede permiffie zoude moecen vraagen van eene parciculiere Compagnie, en aan H. H. Mog. gefubordineerd.

Derde Reeden.

Dat nooyt eenige recognitiën, (zo veel men eer goeder crouwe weec) aan de Comp. becaalc zyn, van eenige plaacfen, die Jure belli geoccupeerc zyn, geweeft.

Dus is van den vyand genomen.

j Suriname, in den Engelfehen oorlog van A°. 166Ö.

2 Tabago in den oorlog van d. 1672.

3 Guajana ut Supra.

En geloofc men niec, dat de Comp. ooyttoonen zal, eenige recognitiën daar van genooten te hebben.

Vier»

Sluiten