Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 28 )

ïs dathy niemant boven hem en kent, alfoo „ een autheur en beginfel is van alle din„ gen, dat hy van niemant afhangt, en een „ volftrektelyk oneyndige macht heeft. En

in deeze zin feyt de Schriftuur , dat 'er „ een God is. De laatfte is, wanneer het „ dien uytdrukt, die eenige uytfteekende „ macht, 't zy heemelfche, 't zy op aerden „ onder de Menfchen, de Opperfte macht, „ of die een kracht en macht booven alle „ menfchelyke van dien eenen God heeft, „ en dus de Godheyt dies eenigen Gods eeni' „ germaaten deelachtig is. Want hierom „ word in de Schriftuur die eenige God een „ God der Goden genaemt P/alm L: i. En „ in de laafte beteekenisfe word de Soone „ Gods in eenige plaetfen der Schriftuur den „ naem van God toegefchreeven.""

» Hoe bevestigt gy , dat de Soon Gods „ alleen op deefe laafte manier in de Schrif„ tuur God genoemt wordP

„ Uit de woorden des Soons Gods zelve. „ Joh. X: 35, 36. Indien (zegt hy) hy die „ Goden noemt, tot dewelke het woord„ Gods, namelyk het woord Pfalm LXXX1: 6. ; » Gyzyt Goden, gefchiet is, en de Schrif„ tuur niet en kan ontbonden worden, den „ welken God geheyligt, en in de Weereld* * -; » ge-

Sluiten