Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22 III. BRIE F.

groot deel haarer daaden, en, waarlyk, wel zo groot, dat het een onderfcheidenden trek in haar charadler uitmaakt, voortkomt, of uit de zucht om goed te doen, of om een naam te maaken. Indien uit het laatfte beginfel, dan moet men ook erkennen, dat de lof, dien zy zo gaarne verwerft, in veele gevallen , de lof van menschlievendheid is. Somtyds, inderdaad, is 'er eene foort van grilligheid , of eene begeerte om zonderling te weezen, in de wyze, op welke zy haare gunden bewyst, die dezelve een voorkomen geeft, als of de begeerte om van zich te doen fpreeken, ruim zo veel als de begeerte om goed te doen, de bron ware,

waaruit zy voortvloeien. By voorbeeld: Een

jong Officier, die aan het Hof was, werd verliefd, gelyk natuurlyk was, op een jonge Juffrouw. De Juffrouw, gelyk ook natuurlyk was, fcheen niet ongevoelig voor zyne verdienden, noch misnoegd over zyne oppasfing. Maar gebrek van middelen , aan beide kanten, was een hinderpaal voor hunne vereeniginge. De Keizerin , evenwel , befpeurde hunne genegenheid; en zond, op zekeren dag, om den jongen Heer tot een af/.onderlyk gefprek. Zy

zeide hem , befpeurd te hebben, dat M en hy,

groote tederheid voor elkander koesterden; dat het geheele Hof dit bemerkte ; en gaf eenigzins van ter zyde te kennen, hoe het haar leed ware, dat zulke dingen befpeurd wierden. De Jongeling was van zyn duk; maar had dandvnstigheids genoeg om de oprechtheid van zynen hartstocht te belyden. „ Dan," zeide haare Majelleit, „moet gy terdond

» ge-

Sluiten