Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wederftaanbaare magt. Gij . . . gij, 6 azuur des hemels! — in een onmeetbaare uitgeftrekt» heid, breidt gij u boven mijnen fchedel uit. Het gezigt des ftervelings vermoeit zich, terwijl het uwe vervaarelilke hoogte gade flaat. Ontallijke wolken ftuwen haare geweldige geftalten daar henen. Onftuimig worden zij van de huilende ftormwinden, door de wijde uitgeftrektheid van het lugtruim voordgeftuwd.

ó Zonne! u zie . . . u zie ik ten voorfchija treden: — uw ongefchoreu kruin verheft gjj in den .trots van uwe vuurige ftraalen. Sterk, magtig, even gelijk een reus, druischt .gij voord uit de diepte van den oGeaan. Een onuitfprekelijke glans ftreeft u voor uit. De hemelen ... de hemelen zelve getuigen de grootheid van uwe magt. De aarde erkent uwe weldaaden . . . uwe weldaaden, daar gij dezelve met uwe kpeftereuden gloed verwarmt. Dan, wat . . . wat zijt gij toch, ó onbeperkte oceaan! Wat zijt gij, 6 azuuren uitfpanfel! Wat zijt gij . . . wat zijt gij, ó ftraalende zonne! Wat zijt gij . . . wat zijt gij met den almagtigen vergeleken.

Niets . . .

Sluiten