is toegevoegd aan uw favorieten.

De kinderen mijner luimen; of Verhaalen en mengelschriften.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIENDE HOOFDSTUK. *45

Op eenen fchoonen meidag kwam Fritz om Willem tot een wandeling uittenodigen naar een naburig dorp. Zij gingen, onder een vriendelijk, gefprek, tusfchen bloeijende barberis heggen. Digt bij het dorp, daar zij een vies witbier dagten te drinken, voegde zich een derde foldaat bij hen, Frans Rohr, een loensziende Hechte knaap, die fteeds twist zogt, en nooit iemand ongemoeid liet. Had hij, gelijk thans, een goed glas brandewijn in 't hoofd, dan ontzag hij vriend noch vijand, gelijk de recenfent Huber, en die hem niet uit den weg wilde gaan, moest hem, of verachten, of klappen om de o oren geven.

Willem en Fritz zouden hem graag ontweken hebben, maar zij werden hem niet eerder gewaar, dan toen hij aan een' kromte op den weg bij 't omftappen van een hek eensklaps voor hen ftond. —-- „ Goeden dag, heer pastoor!" zeide hij hen.

Fritz. Wie meendt gij daar mede?

Frans. Wie anders dan den geftrengen heer Wiefe, die welhaast onze veldprediker zal zijn.

Willem. Ik bedank u voor het goede vertrouwen.

Frans. Dan blijft gij ook fraai in veiligheid bij de bagage.

Z 3 Frit2i