is toegevoegd aan uw favorieten.

De kinderen mijner luimen; of Verhaalen en mengelschriften.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELFDE HOOFDSTUK.

251

dat de duisternis zijn vlucht begunftigde; alhoewel de wegen hem onbekent waren, wist hij evenwel, niet verre van de grenzen te zijn, en na dat hij een paar uuren in den donker fnel had doorgeftapt, overtuigde hem een kruisbeeld, voor 't welk een lantaarn brandde, van zijne gelukkige aankomst op vreemd grondgebied, want het naburige land waskatholijksch.

Vermoeid wierp hij zich in *t gras ter neder om uitterusten. Het leed niet lang of de fchemering kondigde den aankomenden dag aan, cn van verre zag hij reeds een dorp, alwaar hij een fchuilplaats tot 'savonds befloot te zoeken, want, fchoon op vreemd grondgebied; durfde hij uit vrees van nagefchreven te worden, het niet wagen zijnen weg bij dag te vervolgen. Iedere kerktoren', dagrhij, is mij een borg dat een geestlijke in het dorp huisvest, 't Is waar hij is niet van mijn geloof, maar menschlijkheid woond onder alle gbdsr&nsten. Hansje was immers ook katholijkchs? als ik hem rondborstig bekenne wat mij tot vluchten dwong, zal hij mij ongetwijveld geen fchuilhoek op zijn hooizolder weigeren tot dat het donker word.

Met deze gedagten trad hij het dorp in, en klopte aan de woning des priesters.- Er wierd een vengster geopend, daar een dikken ronden kop met een gefchoren kruin kwam uitkijken. Kleene fcheel-

zien-