Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12 INLEIDING, tot het onderwys in

huislyken arbeid. Zoo leefden de menfchen geheel eenvoüwig, gerust en zonder zorgen , voort. Zy hadden zoo veelerley dingen niet als wy, maar zy hadden ook niet veel noodig, en waren bevryd van de zorge , van waar zy dezelve verkrygen zouden. Dan, toen 'er nu geduurig meer menfchen kwamen, niet waar, toen vermeerderde het vee zich ook, en zy hadden ook meer noodig ? K. Ja.

L Van waar kreegen zy dan voeder, voor zoo veel vee ?

K. Dat moesten zy op het veld zoeken.

L. Wanneer het vee nu een ftuk velds hadt kaal gegeeten, wat moesten zy dan doen ?

K. Zy moesten het verder dry ven. L. En wanneer het daar ook afgegeeten was ?

K. Dan moesten zy nog verder.

L. Dan móest de een hier, de ander daar heencn met zyne kudde. En hoe fterker het vee zich vermeerderde ; zoo veel te verder moesten zy dryven, en moesten by gevolg meerrnaalen eenige dagen en weeken van hunne oude hutten wegtrekken. Daar was nu goede raad duur, hos zy dezelve zouden weder vinden. Wanneer iemand van ons verfcheidenc my'en verre wegreist, kan hy evenwel wede-- te recht komen; want 'er zyn nu reccis geregelde wegen en landftraaten, waar op men gerust fean voortgaan; nu vindt men lieden en dorpen'en torens daarin, ter rechter en ter linker hand, waar naar men zich richten, en waar uit men afneemen kan,

of

Sluiten