Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' 500 HISTORIE

bÓek fChe Schryyers' in Dokland, in Italië en in xxxa Proneucei maar zy voegen daar ten zelfden tyde HooPDST.by, dat de Keizer hunne onfchuld erkende, dat hy zynen 'Raad vertoonde, dat het onmogelyk was een bron, die altyd vliet, en nieuw water verfchaft, te vergiftigen: maar het volk, beweerende, dat ze de Jooden het vergif hadden zien werpen, onder 't ftil uitfpreeken van eenige woorden, zoo befloot de Keizer, te lastig gevallen wordende, om ze te verbannen. Dit befluit deedt de oproerigen een groot gefchreeuw maaken, even als of 'er geene ftraffen wreed genoeg waren voor hun, die eene zoo groote menigte Christenen hadden doen fterven: de Keizer was dus genoodzaakt om hun te beveelen te vluchten, of van Godsdienst te veranderen.

Maar de Joodfche Historiefchryvers verzekeren, dat, niettegenftaande de ellende, die zoo groot was, dat men 'er geene gelyke gezien hadt, na de verwoestinge van Jeruzalem, niemand nogthans zynen Godsdienst verliet; fchoon de Duitfchers van alle kanten opflonden tegen de heiligmaaking Gods: Israël zyn glorie echter niet verliet. Het voorbeeld van eene zoo algemeene volharding is iets zeldzaams , en men moet ze gelooven op de goede trouwe van hunne Historiefchryvers.

Einde van het Negende Boek.

HIS-

Sluiten