Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

273 D rCHT KUNDIG?

ke hij zoo kundig in zijn werk wist in te vlechten ; maar ook tevens, het verftand overreed door alle kunstgreepen der Welfpreekendheid, en het hart overmeefterd door de aandoenlijke fchilderijen, met welke hij zoo mild is. Deklaaglijk is het alleen, dat zijne vlugheid in de verfificatie hem tot eene langwijügheid vervoerd hebbe, die tegenwoordig fchier onverdraaglijk is; dat hij, om zijne weelderigheid bot te vieren, niet fchroomt in eene zelfde zaak zoo lang om te dooien, tot men eindelijk het geduld verliest om hem na te gaan; en dat zijne vaerzen, in welke hij (men moet het bekennen) dikwijls weinig acht op Taal- of Kunstvereischten gcgeeven heeft, bovenmaatig zwak zijn, en (zijne Alexandrijnfche vooral) verveelend eentoonig voortrollen. Deeze gebreken, de oorzaak, waarom hij, die mooglijk door zijne fchrifcen meer invloed op het algemeen gehad heeft dan iemand, thands zijne wettig verkreegene achting bijna ten eenenmaale verlooren heeft, en naauwlijks meer dan van het plompe gemeen geleezen wordt, kunnen echter in eene onpartijdige redenfchaal, vertrouw ik, op verr' na zijn fchoonheden niet opweegen, en zijn niet vermogend hem den naam van een' goed' Dichter te ontrooven. Ja, misfehien is geen onzer Poëeten zoo gefchikt om jongen Aankweekclingen in de Dichtkunde ten voorbedde te ftrekken. Immers de voorraad van denkbeelden, van zedenlesfen, de rijkheid van gelijkenisfen en tegenftellingen, de verfcheidenheid van gefchiedenisfen en verdichtfelen, de fchat van levens- of geaarthcidsfehetfen (Characters), en de overvloed van hartstochten en driften, waardoor

hij-

Sluiten