Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONDERZOEK. 295

gebruikt, voor een fcherpe reuk, en in deeze zelfde beduiding ontmoet men het bij homerus als een overbodig bijwoord van den pijl. Op de eigene wijze fchijnt het mij hier gebezigd te zijn, en dus geloofde ik 't zonder nadeel te kunnen voorbijgaan.

Intusfchen ftrijdt tegen mijn eerlte voorgeeven (dat mamelijk dit ftukje geen woord te veel heeft, niet, dat ik dit bijwoord hiervoor overbodig houde: want fchoon het ook niets tot den zin toebrengt, de aart van de Griekfche taal brengt mede, dat zoodaanige woordjes den Mijl eene meerdere zachtheid en rijkheid geeven, en uit dien hoofde, eveneens als eene weelderige fieraadje, tot luider flrekken: waardoor, hoe wonderfpreukig het ook luiden moge, de overtolligheid fomtijds noodzaaklijk is. (*J

Sijn lijf al iffet moedernaeckt, Heeft menigh ruyter afgemaeckt, Deeze twee vaerzen, voor het Griekfche: Van lichaam naakt, weet h ij zijne inborst loos te omkleeden", hl de plaats gefield, bevestigen mij in de gedachten, dat onze Dichter geacht heeft, alleen de uiterlijke kentekens te moeten opgeeven; waaronder de complexie van de Griekfche antithefis niet te brengen is. — Men

moet

(*) Wil men echter dat het woord bitter, op de minnepijlen toegepast, hier van nadruk zij: ik heb er niet tegen. Men zou dit gevoelen kunnen verfterken door de uitdrukking van m ijsa eus, die aan deeze fchichtjes den volzinnigen bijnaam van zoetbittere geeft: en zeker Dichtftukje van anakreon, die ze met gal en honig tevens beftrijken doet.

ï 5

Sluiten