Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in d o t h a n.

3S

Van wederzijden op de Kaek Op 't perlemoer der lieve wangen.

Och ftremden ze op dit perlemoer,

Dat wij die regen tot een fnoer Van gout om onzen hals te eieren;

Wanneer wij tot de Keel vervult

Van blijdfehap 'sjongelings gedult En onverbloemde deugden vieren.

Zijn eer wil bloeien op zijn graf.

Het lof der deugd valt nimmer af.

In den Rei van het 4de Bedrijf Vindt men de befchrijving van den Feniks i

Hij voert op zijn gekuifden kop (Om wien een glans zijn tlralen fpreit) Een heldre ftar; zijn majefreit Ziet hem ten klaren oogen uit. De gouden halsbant hangt en fluit Om zijnen gefchakeerden hals, Een' rechten Zonnefpiegel, als De Zon zich blint ziet in dien gloet. Natuer heeft met haer eigen bloet Zijn wieken kostelijk beklat, Trots purper, trots fcharlaken, dat Den Koning of Aertspriester kleet. De blaeuwe ftaert, zoo lang zoo breet Hangt geborduurt met roos bij roos. Robijnen fchittren op turkois. Aldus gevoet van hemels vier, II. Deel. C En

Sluiten