Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BARON DB TOTT»

Moldaviën en TVaïïachiên waren oudtijds eene Romeinfche Volkplanting. Men fpreekt er nog hedendaagsch een bedorven Latijn, welke taai genoemd word Rownié, de Romeinfche Taal. Deeze Landfchappen , ongelukkig onder het hoogmoedig juk der Romeinen, zuchten hedendaagsch onder het gewigt van een veel wrèeder en veel vernederender onderdrukking, nademaal zij beroofd en verwoest worden door afhangelingen, die met eene afhanglijke en oogenbliklijke magt bekleed zijn.

Alles nu in gereedheid zijnde, om mijne reize te vervolgen, nam ik mijn affcheid van Ali-^ga, hem bedankende voor zijne goede diensten, en ik vertrok van Tasfi, verzeld van twee Janisfaaren der lijfwacht van den Vorst, en vaneenen Griek, gelast, om mij te geleiden. Deeze drie perzoonen oefenden, overal, daar wij doortrokken, de groote beginzelen, die voor de Moldaviirs voegen, en die A l 1 - Aga mij geleerd had; maar één voorbeeld van geweld en van roofzucht, welke één van deeze twee Turken pleegde, verdient hier verhaald te worden. Wij trokken door een redelijk aangenaam dal , omringd met heuvelen ; In het zelve graasden fchaapen onder de wacht van verlcheiden herders. Ik vraagde éémn der Janisl'aaren naar de hoedanigheid van de wolle van dit land; gij zult er ter'iond over oordeekn, zeide hij mij, met één zijn paard ds X 4

Sluiten