is toegevoegd aan je favorieten.

Het Oude Testament.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

194 het tweede boek

Hoofdfl.,, ïtraffen, met eene menigte wonderen, die ik „ daar in doen zal; dan zal h-j u eindelijk laten

W.ai. ii vertrekken. Doch bij de Egijptenaa-

„ ren zal ik dit volk gunst laten verwerven , „ zoodat, wanneer gij uittrekken zult, gij niet

22. » ledig zult uittrekken; want elke vrouw

„ [der lsraïliten\ zal van haar nabuurinne, of „ huisgenote zilveren en gouden vaten en klee„ deren afvragen, daar zult gij uwe zoonen en „ uwe dochteren mede beladen, en op deze wij,, zeden roof van Egijpte medevoeren."

Hoofdfl. „ Maar" — hernam moses — ,, indien

vs. i. " zij' m'i niet gelooven, noch aan mijn voor„ ftel gehoor willen geven, en mij tegenwer„ pen: jehova is u niet verfcheenen!" a. Hier op zeide jehova: „ Wat hebt gij daar „ in uwe hand?" „ Een' Haf," was het ant-

3. woord. „Werp dien" ——hernamGod

„ op den grond." Hij deedt het, en

hem op den grond geworpen hebbende, werdt de Haf tot eene flang, zoodat moses 'er voor

4. vluchtte. Doch jehova geboodt hem, de hand uit te Heken, en ze bij den ftaart te grijpen. moses deedt zulks, en nu werdt zij, in zijne

5. vuist, weder tot eenen flaf. [Thans

verklaarde God hem het oogmerk van dit teken,] „opdat zij, [zeide hij,] gelooven, dat jeho„ va, de God hunner voorvaderen, de God

van abraham, de God van isaSk, en de ,, God van jakob aan u verfcheenen is."

6. Nog zeide jehova verder tegen hem: „Steek

„ uwe