is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Oude Testament.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN SAMUëL. 220

3, worden." — De knecht gaf hem ten ant- Hoofdfl. woord: „ Ik herinner mij, dat 'er een Gods-w1X*6; 1 „ man in deze ftad woont; een man, die in „ groot aanzien is, omdat alles , wat hij zegt, „ daadlijk zoo gebeurt; kom, laat ons eerst „ nog bij hem gaan, misfchien zal hij ons den „ weg aanwijzen, dien wij te volgen hebben." — Maar!" — zeide saul tot zijn' knecht, 7. „ zo wij bij dien man gaan, wat zullen wij „ hem ten gefchenk brengen, want het brood, „ uit onzen zak, is op, ook hebben wij geen „ reisgeld, om 'er dien Godsman iet van ten „ gefchenk te brengen! Wat hebben wij bij ,, ons?" — „ Ik heb," hernam de knecht, 8. „ nog een vierde van een' zilveren fikel, dien „ wil ik den Gods-man aanbieden, opdat hij „ ons den weg wijze, [dien wij moeten in„ flaan.]" — (Voormaals plagt men in Israël, 9. wanneer men God wilde gaan raadvragen , te zeggen! Laat ons naa den Ziener gaan! Want dien men thans een' Profeet noemt, heette eertijds een' Ziener.) — saul zeide dan tegen zijn' ï knecht: „ Uw voorllag is goed! Kom aan, „ laat ons gaan!" gelijk zij dan ook na de ftad gingen, daar de Gods-man zich bevondt.— Zoo als zij de hoogte opklommen, op welke de n ftad lag, ontmoetten zij eenige jonge dochters, die uitgingen, om water te putten, aan welken zij vraagden: „ Of de Ziener daar woonde?" — Zij ontvingen tot befcheid: „ Ja, daar gin- i2. „ der, recht uit! doch gij m0et u fpoeden, R- „ want