Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

446 het eerste boek

Hoofd/ï.„ mijn Heer! ik woonde met deze vrouw in Ul' „ één huis, en beviel bij haar, in dat huis; wilt. „ drie dagen na mijne bevalling , gelag ook de,, ze vrouw in het kraambed; wij waren Hechts „ met ons beide, zonder dat 'er iemand anders „ bij ons in huis was, behalven ons beiden,

19. '„ in dat huis. Nu fterf het zoontjen van deze „ vrouw op zekeren nacht, dewijl zij [in den

ae. „ flaap] op hem gelegen hadt; midden in den „ nacht ftondt zij op, nam mijn zoontjen van „ mijne zijde, terwijl uwe dienstmaagd Hiep, „ en legde hem in haar bed, maar haar doode

21. „ kind legde zij bij mij in mijn bed. Toen ik „ 's morgens oprees, om mijn kind de borst „ te geven, zoo was het, helaas! dood, doch „ toen ik het, bij het daglicht, nader bekeek, 5, zo was het mijn kind riet, daar ik van be-

•3. •>» vallen was." Hier op zeide het andere vrouwsperfoon: „ Neen! mijn kind is het lee„ vende, maar het uwe is dood! " De eerfte hernam: ,, Neen! het doode kind is het uwe! „ en het leevende het mijne!" — Als zij dus

a». voor den Koning over en weder fpraken, zeide ' de Koning: „ Deze zegt: Dit leevende is mijn „ kind, en het doode is uw kind! en de an„ dere zegt: neen! het doode is uw kind, en

24. „ het leevende het mijne! — Haalt mij een „ zwaard!" vervolgde de Koning; men bracht

25. een zwaard bij den Koning: „ Houwt" — geboodt nu de Koning — „ dat leevende kind „ in twee Hukken, en geeft de ééue helft aan

r 3) de

Sluiten