is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Oude Testament.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

868 het tweede boek

IhofdH. „ ren redden ? Wie van alle de Goden dier w^i'* " v0^'en> ^ie mijne voorvaders verdelgd heb„ ben, beeft zijn volk tegen mijne magt kun„ nen befchutten? Hoe zal dan uw God ulie-

15. „ den uit mijne magt kunnen verlösfen? Laat ,, 'derbalven jEHizKia ulieden hiermede niet mis„ leiden, en opruidenl Gelooft hem niet! „ Want geen God van eenig volk of Koning,,'rijk heeft zijn volk tegen mijne of mijner „ vaderen magt kunnen befchermen, hoe veel ,, min zal uw God ulieden uit mijne magt ver-

16. losfen ? " — Deze en nog meer andere redenen ftieten zijne bevelhebbers uit tegen den •waaren God jehova, en tegen jehizkiü , zijnen

17. knecht. — Ook fchreef hij brieven,om jehova, Israëls God, te hoonen, waar van de inhoud was: ,, Gelijk de Goden der volken van an„ dere landen hun volk tegen mijne magt niet „ hebben kunnen befchermen, zoo zal ook de „ God van jEHizKia zijn volk niet uit mijne „ magt verlösfen kunnen."

jg. Dit riepen zij overluid, in de Joodfche taal, het volk van Jerufalem, dat op den muur ftondt, toe, om hen bevreesd en vertzaagd te maaken, ten einde de ftad gemaklijk te kunnen

I0# vermeesteren, fprekende van den God van Je* rufalem als van de Goden der volken van andere landen , die een maakzel van menfchenhanden zijn.

a0. Om deze reden badt de Koning jehizkië , en de Profeet jesaiü, de zoon van amoz, en riepen