Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

042 HET BOEK

Hoofdft.,, een einde van het werk maaken." — Doch,

IV

vs. 12. 31200 de Jooden, die in hunne nabuurfchap woonden, ons wel tienmaal van alle plaatzen kwamen waarfchuwen, wat zij tegen ons in

j3# den zin hadden, zoo ftelde ik beneden achter den muur, daar [door het wegruimen van de puinj de grond effen was, daar ftelde ik het volk, naar hunne geflachten, met hunne zwaar-

14. den, werpfpiesfen, en bogen, en terwijl ik zei; ve toezag, zeide ik tegen de Edelen, de Overheden, en het overige volk: „ Vreest niet „ voor hen! denkt aan den grooten en geduch,, ten Opperheer! en vecht voor uwe broederen, uwe zoonen, dochters, vrouwen, en ,, huizen."

j5« Als dus onze vijanden vernamen, dat alles ons bekend was geworden, en dat God hun voornemen verijdeld hadt, zoo keerden wij allen, elk tot zijn werk, weder aan den muur; 16. doch, van dien tijd af, terwijl de helft van mijne onderhoorigen aan den arbeid waren, hieldt de andere helft zich gereed, met werpfpiesfen, fchilden, bogen, en harnasfen; onthoudende de Volks-overheden zich fteeds achter het volk der Jooden. 17* Die aan den muur bouwden, die den last droegen , en hem oplaadden, elk hadt, terwijl hij met de ééne hand het werk deedt, tevens ig, met de andere het geweer klaar; ook hadden de bouwlieden het zwaard op zijde, onder het houwenj maar de trompetter, die de bazuin

moest

/

Sluiten