is toegevoegd aan je favorieten.

Het Oude Testament.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE BOEK.

*53

PSALM LXIII.

De Dichter betuigt zijn verlangen naar Gods Heiligdom — zijn vertrouwen op God — en fmeekt om eene gelukkige wending van zaken , door de Jïraffe zijner vijanden, en zijne verlosfing.

Een Pralm van david , toen hij zich bevondt Pfalm in de woeftijn van Juda. ySm i.

Gij zijt, o God! gij zijt mijn God! 2. U zoek ik in den vroegften morgen; Naar u dorst mijne ziel! Verlangend

Verbleekt mijn ligcbaam hier naar u,

In deez' verfchroeide, dorre, (treek ,

Die, waterloos, geen' laafnis biedt. Zoo zie ik, om ééns daar uw heerlijkheid t' 3. aanfchouwen,

Naar 't Heiligdom, al fmachtend uit;

Dewijl uw goedertierenheid 4. Veel grooter in waardij, veel beter is dan 't leven.

Mijn lippen roemen uwen lof! Ach! mogt ik, levenslang, u prijzen; 5. Mijn handen, biddend, tot u heffen 1

Ach! dat ik daar met vet en merg 6.

Bij 't offermaal verzadigd wierd!

Dan zou mijn mond een dankbaar lied

S Aan- r