Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4 PSALM II.

vs. v. ij dele woede. Eigenlijk ij delheid met dit éne woord fchildert de dichter den inhoud van het ganiehe lied, deszelfs gehele Tchikking ontwikkelt niets anders, dan deze prachtige fpreük , welke er den aanvang van maakt. Ene grote fchoonheid der ftoute Oofterfche Ode.

Semper ad evctitum feftinat , & in medias res auditorem rapit.

Herder Geist der Hebr. Poefie 2 D. bladz. 396.

vs. 2. Het Hebreeuwfche woord, doorgaands Koningen vertaald , zet ik Forfie'n over , omdat deszelfs betekenis veel algemener is, dan van ons Koning.

vs. 3. Deze zijn de woorden van hun, die zich verbinden tegen den Jehova en zijnen gezalfden; het is zeer overecnkomftig der verrukking van den dichter, dat hij zo afgebroken deze vijanden van het Godsrijk hier fprckende invoert, zonder juist te kennen te geven, dat het hunne woorden zijn; zulks treft zo veel te meer de verbeelding; men gevoelt zo veel te levendiger hunne woede, daar men hen zeiven zo ogenbliklijk als voor zijne ogen ziet fpreken en handelen.

vs. 4, 5, 6. Deze verfen zijn zeer verheven, vooral, indien wij dezelve vergelijken met het voorgaande: daar zag men de vijanden van Jehova en zijnen Gezalfden vol woede, zich verbinden om zich van derzelver heerfchappij te ontdaan ; dan wat zou het gevolg zijn van al die toerusting , van al die grootfpraak? Jehova, wel verre van zich daartegen met groten toeftel te verzetten, zou onder het algemeen oproer der volken niets anders doen, dan hen belagchen en befpotten, en maar een enkel woord van toorn tegen hen fpreken,-en aanftonds zouden alle hunne aanflagen verijdeld zijn. Hoe oneindig verheven wordt hier dan

Jehe-

Sluiten