Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM XVIII. $

verfchriklijke toerusting, niets was in vergelijking van den tocftel waarmede de Almachtige zig wapende, ter hulpe van zijnen'lieveling. Hij verfchijnt, gewapend met donders blixems en onweders , die hem, als den Heer der natuur, ter dienfte ftaan. En wie bewondert met m deze befchrijving van dit onweder het verhevene, zowel a s het natuurlijke ? De aarde davert en de bergen worden ge duid door de heftige donderdagen , die van de bergen afkwamen, met zware aardbevingen vergezeld, die odk tnands nog in Syrië en Paleftina vrij gewoon zijn , volgens de aantekening van Volney in zijne Reize door Syrië enEgtpte, , D. bladz. 091. vers 8. - Een damp Hijgt op, vers 9, «lijk meermalen, volgens de aanmerking van MiciiAelis en Knapp, uit de gebergten kolommen van rook opftijgeir, die zich zo vermeerderen, dat zij ras het ganfche Gebergte omgeven, en dan in blixem en donder losbreken ;"ten zij men hier liever denken wil aan vuurbrakende bergen , wier uitberfting door een zware rook wordt voorgegaan, waarop de uitwerping van gloeiende vuurklompen, die hier dan met den naam van verterend vuur en een koleugloed beftempeld worden, volgt; en tot deze opvatting hel ik te meer over, daar Volney bladz. 290. Syncn en Paleftina als een land van brandende bergen befchrijit. Intusfehen wordt de hemel hoe langer hoe donkerder en lager, vers 10. Het onweder neemt toe ; de donders en blix'cmen vliegen , volgens vers n, met ene verbazende fnelte door het rond, door den feilen llormwind voortgeftuuwd: terwijl de faamgepreste wolken het alles zo verduifteren; dat de Godlijke majcfteit haren troon in de donkerheid fchijnt gevestigd te'hebben: alles is (likdonkere nacht, vers 12. Silius Iïalicus, XII: 612., drukt dit uit:

Coelumque tenebris Clauditur, terras cocco nox coudit amidtu.

Nu

Sluiten