Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a3S P S A L M X C,

wijl hij leert, tevens verwonderd en verbaasd doet zijn\ Hij voegt er ten voorbedde ene plaats uit Haller'j voortreflijk gedicht über die Eeuwigkeit bij;

XJnendlichkeit ! wer misfet dicht

JSey dir find Weiten Tag, und Menfehen Augenblicke, Viellelcht der taufendfte der Sonnen w'dltzt j'etzt fich, l/nd taufend bleiben noch zurücke, enz.

Even dit zelfde kunnen wij opmerken over vs, 2, daar de Dichter, om Gods eeuwigheid te befchrijven, hem ouder ÏTelt als alles, wat wij op aarde zien, zelfs als de bergen, tiie oudfte ikinderen der aarde. Vergelijk ook de aanmer? king op Pf. LXXXIX, 13.

Vs. 5. Rukt gij hen weg, dan fterven zij. Eigenlijk Rukt gij hen, als door ene overftroming, weg, dan worden zij een flaap. Een flaap worden is zo veel als flapen, 'en ftapen wordt zeer dikwijls voor fterven gebezigd. Ver-! gelijk intusfehen de bijzondere aanmerkingen.

vs, 5,6. Des morgens zijn ze, enz. Een zeer fraai beeld van de verganglijkheid des menfchlijken levens ; Vooral indien wij ons met onze verbeelding in het Oosten verplaatfen , waar de hete oofte wind dikwijls die uitwerking heeft, dat hij het gras en de veld - bloemen in énen dag doet verdorren. Het zelfde beeld vindt men Job XIV, 1, 2.

v, 6, Uitteert, In deze uitlegging volg ik Venema.

Vs. 9. Gelijk een damp. Ik volg de overzetting van Schultens, Comm. in Proverb. XXV, 4. De Dichter ziet hier op den toeftand der Ifraëlieten in de woeftijne,

waarin

Sluiten