Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïfjü ONDERRICHT VAN DEN GODSDIENST

enkele gevallen gevoelde. Gelijk daar mede ook overeenftemmen de vermaaningen van Zijne jongeren, die, ons enkel maatigheid bij den toorn gebiedende, die drift op zig zei ven geenzins wraaken. Ontijdig, zonder reden of op eene te geweldige en te langduurige wijze toornig te zijn, dat was het, 't geen de Verlosfer Zijne jongeren hier verbood; gelijk zulks de vermaaning, om zig bij tijds met zijnen broeder te verzoenen, in dezen zelfden famenhang gegeeven, ook duidelijk genoeg doet vooronderftellen. — En dat geen, het welk hij hier op eene ftellige wijze leerde, dat drong Hij elders aan, in eenen beftrarfenden toon. Twee zijner beste jongeren, verontwaardigd dat men in een vlek der Samaritaanen geweigerd had, hunnen grooten Meester aan te neemen, vraagen, van toorn brandende: Heer l Wilt Gij, dat wij zeggen: dat vuur van den Hemel valle en hen verdelge? En, aanftonds beteugelt Christus hunne woede, hen op Zijn beurt vraagende: weet Gij niet, welks geestes kinderen Gij zij(? _ Ook op eene zinlijke wijze , poogde de Verlosfer deze waardige beginzelen te brengen binnen het bereik van de min kundigen onder Zijne tijdgenooten. Wien Uwer M. V. is die gelijkenis niet bekend van dien onbarmhartigen fchuldeisfcher, die in toorn en woede zijnen medeknecht op het uiterfte

mis.

Sluiten