Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tOO JOHANNES DEN DOOPER, EEN GROOT MAN,

al te veel treurige bewijzen gezien, hoe zeer zij, door allerlei menschlijke bijvoegzelen, de Leer van Mozes bijkans geheel onkenbaar hadden doen worden; en dezelve zo op 't uiterst hadden doen ontaarden? Men leeze ten dien einde de gezegden van den Verlosfer (♦); en men zal zig moeten verwonderen, hoe zeer die Leeraars den geest van waare braafheid en deugd hadden verdrongen, als geheel vernietigd, door allerlei menschlijke vonden, die de waare deugd ganschlijk wegnamen; en hoe zij da*ar voor hadden in plaats gefield, een famenweefzel van uiterlijke fchijndeugd en van fchandelijke geveinsdheid en bedrog. Hier kwam bij dit volk nog bij, eene dwaaze en hardnekkige verkleefdheid aan hunne voorouderlijke begrippen, een zo onzinnig als onbepaald vertrouwen, op 't zo feilbaar gezag van hunne oude wetgeleerden. Hoe zeer moest dit alles den toegang, voor de Lesfen van den Verlosfer tot hunne harten, niet op 't fterkst vermoeilijken? Hoe nodig was ook daarom ten dezen opzigte niet eenige voorbereiding? £n hoe zeer wierd zoo de bellemming van eenen Johannes Aas ook hier door vermoeilijkt? Of waaren hunne Leeraaren en Priesteren, die zij blind volgden, niet meestal overgegeeven aan beginzelen van eene haatlijke heerfcchzucht, van geveinsdheid en van toomlooze hovaardij; begin-

Zelf,*) Uetth. V: to, en Cap. XXIU: 13.

Sluiten