Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GYSBRECHT van AEMSTEL. 7

Zo ligt het fcuk by my; nu ik heb op deez' wallen ,

Al vry wat doorgei'taan , en vry wat volk zien vallen;

liet meeste fpyt het my van goejen broeder Ot,

Die fukkel raakte toch ook al heel gaauw kapot;

Och ja.' wat heb ik toch, als ik 't zo na wil denken ,

Niet al verdriers gehad; 't is om 't verftand te krenken!

ï leb ik niet zelf' nog in den laatften hongersnood,

Myn' hongerigen buik, in plaats van vleesch en brood,

Met een kop koffy , of jenever, moeten ftillen ?

Kyk als ik weër zoo'n tyd nog zou beleeven willen ,

Dan wou ik liever dat de vyand my terftond

Een' kogel door myn' kop, of in myn wammes zond:

Wat zeg ik ? vyand! och ik had my aan myn' degen,

Heel graag, om vredens wil, als aan een fpit, gereegen,

Zo ik daardoor den twist nog eens zag by geleid;

'K vergeef hun graag die feil en domme onweetenheid,

Het fpreekwoord is toch waar: kyk! buuren mogen kyven,

Maar moeten evenwel toch altyd buuren blyven.

Daar komt de Pater van 't Karthuizers Klooster aan,

Ik zal uit hem veelmeer dan ik nog weet verftaan.

Wel, dat komt zeeker goed: zie d' ouden paai eens fpringen,

Zo blyd als malle Piet om die veranderingen,

Wat is hy vergenoegd: kyk! kyk! hoe dat hy lacht,

Uoezée ! Nu vader ! we!! had ge dat ooit gedacht ?

Sluiten