Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 359 • }

ren, of inoeilyke toevallen, voor het doodvonnis bukken, en enkel ophouden te leven*

Maar mogelyk denkt myn vriend, zouden wy ook zoo de naaste oorzaken van de overerving der fmet* zelfs door onze oplettende ondervinding, konnen ontdekken? My fchynt het toe, dat wy er verfcheidene konnen aanvvyzen: waarom ik degene, welke my voorgekomen zyn, aan uwe overweging zal overgeven, en het u overlaten, om er nog andere by te voegen.

Onze verdorvenheid, zagen wy, heeft, veel invloed, op onzen dood: Maar zou de fterflykheid en verderfelykheid, die ons van de geboorte aankleeft, ook geenen invloed hebben op onze neigingen tot het kwade en onze afkeerigheid van het goede? Wv zien dat menfchen, met zekere kwalen in het lichaam zukkelende, tot zekere lusten en driften, boven anderen, geneigd zyn; gelyk, toton-, kuischheid, verhittende dranken, gemelykheid , gierigheid en dergelyke. Wy verwonderen ons, in verfcheidene ziekten, over de verandering, welke wy in der zieken driften en handehvys ontmoeten, en merken , dat de verzwakking den ouderdom gelegenheid geeft, om tegen meer dan ééne geneigdheid tot het kwade te waken. Zou het dan wel vreemd zyn te denken, dat, met onze onderwerping aan den dood, onze vermogens, in denken, geheugen, opmerken en doen, verzwakt zyn, en dat onze byzondere getemperdheden, die, wanneer zy wel bepaald waren en gebruikt wierden, eene fchoonheid in 't geheel faamgeyoegd lichaam van

het

Sluiten