Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3°7 )

de dieren uitmunt, in redelyk verfïand, om God, zynen Schepper, in zichzelven, als zyn beeld, te zien en te kennen, goedenkwaad, deugden ondeugd te onderfcheiden, God heiliglyk lief te hebben, elk het zyne te geven, en, zonder fterven, te leven? Deze gedachten van het beeld en de gelykenis van God, welke wy hier, als vanzelve, krygen, worden ons elders , wanneer van de herftelling vanhetGodlyke beeld, met toefpeling op deze fchepping, gefproken wordt, ook ingeboezemd; zulkeen beeld en gelykenis worden ook vooronderfteld, wanneer er bygevoegd wordt: en dat zy keerfchafpy hebben over de vhfehen der zee, en over het gevogelte des hemels en over het vee, en over de geheele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Deze heerfchappy is zeker zeer verre uitgeftrekt, daar zy niet alleen alle de dieren, maar ook hetgeen tot dezelve behoort, onder hunne magtftelt; doch deze konden zy niet oefenen, tenzy zy niet alleen wyzer dan de dieren en geleerder dan het gevogelte des hemels waren, maar ook die wysheid hadden, dat zy hunne zinlyke lusten en driften zich onderwierpen: daar zy anders van de dieren zouden beheerscht geweest zyn, en niet dezelve beheerscht hebben, om derzelver lof, rechtvaardig en heilig, tot God te* brengen.

Naar dat groot ontwerp van God, hetwelk redelyk en geestelyk leven op deze ftofiyke en dierlyke wereld zou brengen, verhaalt Mofes vervolgends, dat God den mensch gefchapen heeft, niet alleen dea m,an, maar ook de vrouw; dat ook God, nadat zy Eb 3 gC-

Sluiten