Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii Bestendige.

ROM.IX 2.

mark.

III. 5<

LUK A!

XIX 4

M ATT

XXVI 38.

flryd, van binnen vrees. Doch God, die de tiede* rigen vertroost,heeft ons vertroost door de komst

van Titus. Ook betuigt hy, in den brief aan

. de Romeinen, dat het hem eene groots droefheid en zyn hert eene geduurige fmert was , de hardnekkigheid van zyn maagfchap naar het vleesch, het ongeloovig Joodendom, te moeten zien. Men dcnke niet dat Paulus droefheid , in deeze gevallen, meer of min gebrcklyk was. Zy was veeleer deugdlyk en loffelyk, gelyk terftond nader blyken zal. En , om allen twyfel weg te neemen, of 't een vroom mensch ongeoorlofd zy ooit bedroefd te wezen, heeft men llegts het oog te flaan op onzen onzondigen Zaligmaker Christus Jezus; die bedroefd werd over de verharding der herten van de Farizeërs; die weende over de flad Jeruzalem, wegens de rampen, welken haar boven 't hoofd hingen, toen hy de-

i. zelve genaakte; en die in den hof Gethfemane betuigde, myne ziel is geheel bedroefd tot den

■ dood toe.

't Komt 'er nu op aan, hoe deeze SchrifÉuurlyke Lesfcn en Voorbeelden met de vermaaning van onzen Text overeentebrengen zyn. In fommigen derzelven wordt van eene droefheid gefprooken, die deugdlyk of pligtlyk, in andere van zulk eene, die flegts geoor-

lofd

Sluiten