is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der apothekerskunst.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

APOTHEKERSKUNST, u?

affcheiden, dat men 'er allerzuiverften wijngeest opgiet, welke de eene oplost f§. 561. n. 5.), doch de ander overlaat. De overblijvende witte en vaste olie is men gewoon corpus pro balfamo te noemen.

§• 589.

Behalven het dierlijk vet, 't welk de eigenfchappen van uitgeperfte oliën heeft, heeft reen in de Apotheeken ook nog eene olie, welke uit dooiers van eieren verkregen, en olie van eieren (oleum ovorum) genoemd wordt. Om deeze aftefcheiden, laat men de eieren hard kooken , neemt 'er het geéle uit, en droogt het in den beginnen onder geftadig omroeren, op dat het niet aanbrande, op een zagt vuur, 't welk men naderhand een weinigverfterkt, tot dat de masfa ophoudt te rooken, en eenigfints vloeibaar begint te worden, een vetachtigen glans vertoont, en wanneer men ze tusfchen de vingeren drukt, de oüe begint van zich te geeven. Men fchudt ze alsdan vaardig in een' zak, en drukt 'er de olie tusfchen de warmgemaakte plaaten der pers uit. De gelukkige uitflag van deeze bewerking hangt alleen daar van af, dat men de dooiers zo veel mogelijk van hunne waterdeelen ontdoe, doch het uitdampen moet niet langer, dan aangewezen geworden is, voortgezet worden, om dat de masfa andersfints geheel vloeibaar wordt, en men alsdan weinig en flechte olie verkrijgt. De olie van eieren is geel en lijviger dan de andere uitgeperfte dunne oliën, in de koude wordt zij hard, en heeft eenigfints den reuk der dooiers van eieren, doch geen' fmaak. Derzelver lijvigheid is een kenmerk van haa-