is toegevoegd aan uw favorieten.

Europa op het einde der agttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 153 )

. „ Welk eene verblindheid is de Uwe? Gij „ wilt ons behouden, en Gij brengt ons ten ver„ derve. Gij wilt, dat wij gelukkig zullen zijn; „ en uwe afhangelingen zaaijen twist en twee„ dragt. Gij wilt, dat wij gerust zullen zijn op „ uwe verknochtheid aan de belangen van het Va„ derland, op uwe liefde voor hetzelve; en Gij, v Gij verdeelt zijne Kinderen. Gij wilt, dat wij „ niet wantrouwend zullen zijn; en Gij misbruikt „ ons vertrouwen. Gij wilt, dat de zucht voor

* het Vaderland onze harten ontvlammen zal; en s, Gij fpreekt ons toe als meester. Gij wilt, dat t» wij vrij zullen zijn; en Gij fmeedt de kluisters „ onzer onderdrukking."

„ Ach! Van der Noot, onze verfcheurde har1, ten hebben eenen afkeer van U meerder te be-

* fchuldigen; een aangenamer denkbeeld vervuld „ onze ziel; zij fpreekt U toe , uit naam des » Volks; zij bezweert U, in deszelfs fchoot te ,, willen te rugge keeren."

„ Geef aan hetzelve Hem, dien wij beminden „ weder; doe ons weder die ftem hooren , die

* alle onze bekommeringen , alle onze onrust „ deedt bedaren; vertoon U, als burger, in het „ midden van een Volk, dat U nog zou willen „ liefhebben; beken aan hetzelve uwen misflag: „ van uw hart verzekerd, vordert het niet, dat i, Gij onfeilbaar zijn zoudt."

„ En Gij, mijne Heeren, Geestelijken, Ede-. „ len, Dekenen, haast U, om, ter herttelling van n de rustin de gemoederen des Volks, die mid» delen in het werk te ftellen, die U zoo mee-.

sin'g-