Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ï4

D E

Vernufteling.

Jfn zekeré raenfchen befpcurd men een zcrgvnldigen toeleg, om hun verftand, en vooial hun oordeel en fcherpzinnigheid, in een gezelfchap, te laaten blijken. Bij deze fpitsvinnigheid is, altijd, eene ledige zijde der Ziele zigtbaar, welke dit masker zal bedekken, even als, mogelijk, de befchaamde arme de oli - vlak, of wel een5 lap op zijnen rok, mét den hoed zoekt te verbergen. Alles, wat de vernufteling leest,

tragt hij, tot dit zijn uiterst doelwit, te befteeden. Romans, Journaalen, en hiervan eenigïijk de Titels der boeken en Bon -mots, vrolijke Schriften, Almanakken en Bloemtjes, deze zijn zijne mild uitleverende Mijnen. Geheugen en zakboekjes zijn 'er mede opgevuld, en nu verfchijnt hij, toegerust, in de gezelfchappen. Hij loert, gelijk een Jaager in het bosch, om zijnen voorraad mee te deelen. Spreek, wat gij wik, hij zal het of in het befpottelijke zoeken te veranderen, of met eene Zinfpreuk, met 't zeggen van een Dichter, met een foortgelijk geval verzegelen. „ Wat gij daar zegt, „ brengt mij te binnen; daar bij vak mij in; zo „ zeide ook eens, dat lijkt wel na, ik pleege „ altijd ce zeggen j pm met den Dichter te

„ fpree-

Sluiten