Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

g4° AAN MIJN' NEEF C. SEDERT MIJN TEHUISKOMST.

was, en ftak eenen derden gat daar bij in mijnen arm, doch, die trof dat in eens veel beter, zo dat'er niet alleen bloet uit voort kwam, maar teffens ook uit de twee eerfte kwalijk geftookene gaten , die zij zo fchielijk niet meefter waren te floppen, of mijn ganfche Bedde liep vol bloet, en ik raakte veel meer kwijt als verordineerd was; doch'sanderdaags en hadde ik doch evenwel, niet veel verligtenis van de last ïn 't hoofd, zo dat den Dottoor nog eens verordineerden Ader te laaten, doe kwam de Chirurgijn zelfs, en ftak mij in den anderen arm, dat trof wel, doch zeer pijnelijk, ik ben nooit flimmer gemarteld geworden bij Aderlatingen, dan doe,ockhebben die vier geftokene gaten in mijnen arm, moeiten gehad om te genezen, daar hebbe ik veel pijnen aangeleeden; en was verleegen dat dezelve nog zoude hebbe gaan zweeren, daar en bij, was de oppasfing dien ik, in mijnen krankten benodigd hadde, zeer liegt, eensdeels, om dat de Meid in huis genoeg te doen hadde, door dien den Heer van 'thuis, ook even Krank te Bedde lag als ik, en daar zeven Kinderen waren waarteneemen, die de Oudfte maar twaalfJaarenoudwas,en nadien ik door de hevige Koortsfen waarmede ik aangetast wierdt, en door het menigvuldige Bloed, dat ik onder en boven,en door Aaderlatigen kwijt raakten,zo doodelijk verzwakten,dat ik wel veertien dagen lang, zo nu en dan, geheel buiten mijn verftand ben geweest, zo dat ik abfoluut niet alleen, Dag, nog Nacht, en konden blijven, en evenwel geheel alleen gelaten wierdt, ik fmeekten den Do£loor, den Chirurgijn,en de Huisvrouw van t Huis, dat zij doch zoude ommezien na Een braaf Perzoon die Dag, en Nacht, bij mij konde biij /en om mij te helpen, en optepasfen, doch wat arbeid ik daar toe aanwenden dat was al vruchteloos, zij fcheenen daar geenen moeiten toe te doen, ja wel! zo gansch alleen konde ik doch evenwel niet blijven, ik verzocht ten laatften, al was het dan maar Een braaf Soldaat, die 'er genoeg te krijgen Waren, Neen, in mijne ganfche doodelijke ziekte, hebben zij mij Dag en Nacht, zonder hulp en oppasfing, gansch alleen laten liggen, en dat in zo Eenen Volkrijke Stad, hoe gaarne ik het dubbeld w.lde betalen; Eindelijk, zo hebbe ik doch, nochtans Eene Nacht, een Oude Vrouw gehad, die

te

Sluiten