Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PAULUS den APOSTEL. 227

Hand. 9; 27. aan de andere Aposre- 1 len, maar ook uk de verdediging die Saulus voor zich zeiven daar uit gemaakt heeft, daar hij de waarheid zijnes AposteKchaps uit deze verfchijning bewijst, als 1 Cor. 9: ï, daar hij zegt, ben ik niet een Apostel, heb ik niet Christus Jesus onzen Heere gezien , vergeleken met Gal. I: vs. 1. daar hij zich daarom noemt een Apostel, geroepen niet van menfehen, nog door een menfche, maar door Jesus Christus, Waarom hij zich 1 Cor. 15. ook vev-. klaart, een getuigen voor de waarheid van de opftanding van Christus te zijn , dewijl hij, na alle de Apostelen Christus in Perzoon leevende gezien had : en, fchoon wij niet bepaalen kun-? nen, op welken afltand Saulus den verheerlijkten Jesus gezien heeft, 't zij dan in de woningen der heerlijkheid , zoo dat God op een wonderdaadige wijs het gezicht van Saulus verilerkte 'c

zij

(*) 't Welk het gevoelen van den Hoogr

p 2 \m*

land.22, rs. 16 en 17.

Sluiten