Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paulus den Aïostei. 185

dwaaling en afval verleiden, en dat altyd dienen moet, om zulke nog te doen vrederkeeren, uit het eeuwig verderf te rukken, en zoo nog te behouden van den toekoomenden toorn.

Dan het koomt my zeer aanneemlyk voor * dat Paulus, de voorige vcrmaanicg brengt tot dwaalende in de leer, om die te wederleggen; en deeze tot zondige, in den wandel, om die te besraffenj en dan moet het tot de zulken gebrast worden, die de genade Gods, veranderden in ontuchtigheid, die de zuivre leer misbruikten, tot zorgeloosheid en godloosheid. Een geleerd man ** denkt hier aan de grieksche landzonden, die uit overdaad en wellust voortkwamcu. Althands het koomt ons zoo voor, dat hier zulke bedoeld worden als Petrus teekende, 2 Petr. 3, vs. 20. 21 en 22. die van de leer afweeken en stelzels vormden, die aan hunnen bedorven smaak en zondige lusten, defi ruimen teugel vierden, * gelyk wy Hijmeneus en Phiktus ook als zoodaanigen beschouwen.

Zulken moest Timotheus met naadruk bestraffen, hen dat scbroomlyk kwaad, in al deszelfs gevaar, strafwaardigheid, en de van God bedreigde oordeelen daarover, wel vriendelyk

maar

* Gelyk B. Brouwer en Mosheim schynen ts denken, en Staring zich dus duidelyk verklaart, ** B. Bolk in zyn reeds aangehaald werk,

Sluiten