Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den JONGEN WERTHER. 221

niet in de kamer riep, maar na eenige minuëtten op het 't klavier gefpeeld te hebben , om zich van haare verlegenheid te herftellen, met veel gelatenheid naast Werther op de Canapé ging zitten. Hebt gij niets te leezen ? vroeg zij. Hij had niets. Daar in mijn laatafeltje , zei zij, ligt uwe vertaaling van eenige gezangen van Osfian, ik heb ze nog niet gelezen, want ik heb altijd gehoopt dat wij ze famen zouden leezen, maar federt al dien tijd deugt gij nergens meer toe. Hij lagchte, haalde de liederen uit de lade, en kreeg een grilling over zijn gantfche ligchaam toen hij ze in de hand nam; zijn oogen ftonden vol traanen toen hij 'er inkeek ; 'hij ging zit* ten en las:

Blinkende fter, die den dageraat aanvoert, wat flonkert gij fchoon in het westen, en fteekt uw blinkend hoofd door de wolken, en wandelt ftaatelijk langs uwé heuvelen! Maar wat flaat gij het oog toch hier op deze heide? De huilende winden zijn lang bedaard. Hef Horten :des wa-1 rervals hoort men van verre. Van verre

Sluiten