Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHEPPING ONZER AARDE. 15

,vvaar in wij zon , maan en ftarren zien , zo vinden wij 't woord hemel Pf. VIII: 4 , daar david zegt: Als ik uwen hemel aanzie, 't ■werk uwer vingeren , de maan en de ftarren , die gij bereid hebt; eindelijk wordt dit woord gebezigd voor die plaats, daar God zijn heerlijkheid meest openbaart , en daar Hij als de grootïle koning gezegd wordt zijn throon en dienaars te hebben; deze hemel als eene plaats van Gods wooninge wordt door salomo bedoeld 1 Kon. VIII: 30, en fomtijds genaamd de hemel der hemelen , (F) en door paulus de derde hemel, t paradijs Gods. (c) Het valt niet gemakkelijk te bepalen of men Gen. I: 1 , 't woord hemel in de ruimfte betekenis, voor al wat hemel genaamd wordt, dan in eenen bepaalderen zin moet opvatten. Voornaame uitleggers denken hier 't eerde, en dan bevatten die woorden eene befchrijving van de fchepping aller dingen , anders ook genaamd

't groot

alleenlijk de luchthemel bedoeld wordt, gelijk Gen. f: 8, 9, Job XXXV: II. enz. Dit wordt door de Schrijvers van 't N. T. zomtijds nagevolgt. zo fpreekt petrus van 't luchtgewest onder de benaming van hemelen, 2 Petr. III: 12, 13. Het Hebr. woord pn{y komt tweemaal voor in 't enkelvouw-

dige, namelijk Pf. LXXXIX: 7 en 38.

(£) 1 Kon. VIII: 27. CO 2 Aor, XII: 2.

Sluiten