Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26 iet over.

overing van Silcziên. Ter zijde , voor de opene deur van het eerde voorvertrek, trof mij fteeds het fchoon portrait van Keizer josef den Tweeden, dat de Koning daar recht voor zijne oogen fcheen gefield te hebben, om deezen grooten en onderneemenden Vorst, nooit uit het oog te verliezen.

'Maar zo dikwijls ik dan weder aan mij zeiven, en aan mijne tegenswoordige verfchriklijke omftandigheid dacht, zeide ik tegen mij zeiven: Thans is het zeker algemeen bekend , dat deeze groote Koning mij bij zich-heeft ontboden! Tot grooter eere kan geen Geneesheer ter wereld komen. En de nijd, die niet verdraagen kan, dat iemand anders iet merkwaardigs en fchoons gebeurt, dat hem ook niet bejegent, hoe vreeslijk zal die nu over mij,in alle landen, daar mij misfchien de Geneesheeren uit de laagere klasfe, geleerde heeren, en fchoolmeesters, niet genegen zijn, de tanden knarsfen! Maar ach! wist dat arme nij.iige pak toch ééns, hoe ik thans gefield ben, welke angst, welke mismoedigheid , welke gevaaren , en welke fchrikken mij omringen , o gewis, het zou bekennen ; zulk een geluk wenfchen wij ons niet toe.

Nogthans zag ik fteeds tusfchen dit alles door, dat de Koning heden niet fterven zou. Eerftelijk, om dat hij volftrekt den pols van eenen ftervenden niet had, en dewijl de levenskragten, ongeacht alle kwaad voorkomen, zoo als ik uit de pols vernam niet gedaald waren. Ten tweeden, om dat ik dacht, dat deeze ftorm misfchien van eene periodike natuur was, en even daaröm met meer fchrik dan gevaar, verzeld ging.

Terwijl ik met mijne gedachten zo her- en derwaards

Sluiten