Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14 INLEIDING.

zon- of rnaan-licht voorftelt, komt dus voornaamlyk in aanmerkinge,

1. ) De ftand der zonne of die der maane;

2. ) Derzeiver fchynbaare grootheid;

3. ) De ftand des zieners, tot het tafreel;

4. ) De plaats op welke men zig bevindt;

5. ) De ftrekkinge en lengten der flagfchaduwen, Op bladz. 12, hebben wy reeds aangemerkt, dat

de jaarlyfcfche beweeging, als ook de dagelykfche, van de zonne geregeld is; dat dezelve zig altydop een zelfden tyd in de linie cTquiiaodtiaal,en dagelyks op het zelfde uur in het zuiden, of den meridiaan bevindt.

Maar met den loop en de beweeginge der maane js het geheel anders gelegen , derzeiver komst in den meridiaan, is dagelyks zeer verfchillende , nu vroeg , dan laat; alleenlyk wanneer zy vol is, dan •Js haar (landpunt altyd des middernachts of ten 12 uuren in den meridiaan , of het zuiden.

Begeert men derhalven den ftand der maane aan den hemel, op zeker uur te weeten, dan moet men die vinden door het uur van derzeiver opgang ; en derzeiver komst in den meridiaan , door de dagen welken federt de nieuwe maan verloopen zyn , die men gewaonlyk de ouderdom der maan noemt.

Sluiten