is toegevoegd aan uw favorieten.

Zondagsblad, voor roomsch-catholijken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 75 )

De val der Joden heeft gelegenheid gegeven tot het heil

der heidenen (*).

Niet alleen dat onze Godlijke Verlosfer nu toonde magtig te zijn in woorden, maar Hij was het ook in werken. Vooreerst door de wonderdaden , die Hij alom, ter bevestiging van zijne leer , verrichtte. Deze waren geene hemelstekenen, gelijk de Joden begeerden; het waren wonderen, die Hij, bijkans alle, over de menfehen zelfs, uitwerkte, en beftaande in de genezing van velerlei kwalen en krankten. Welk eene wonderdadige magt blonk in Hem niet uit, en hoe zeer ftrekte deze niet om ons te doen kennen: dat Hij meer dan mensch was! Zijn gebod, zijn woord doet de duivelen vlugten uit de lichamen der bezetenen: het doet de doven horen, geeft aan Hommen de fpraak weder; de kreupelen wandelen, en blinden worden gezegend met het genot des lichts; zij openen hunne ogen , om Hem te zien en te bewonderen, aan wien zij deze weldaad verfchuldigd zijn. Ja zelfs de doden zien zich, op zijn alvermogend woord, aan het graf en het bederf onttogen , en gevoelen andermaal de omhelzingen van hunne vrienden en naastbeftaanden. En alle deze wonderen deed Hij uit de eigen Godlijke kracht, die in Hem was. Al het volk verdrong zich, als het ware, om tot Hem te genaken, en zij achtten zich gelukkig, zo zij flechts den boord van zijn kleed mogten aanraken; Want daar ging eene kracht van Hem uit, en Hij genas hen allen (f). Zó ging Jesus door geheel het land , lerende en weldoende. Het volk was verheugd, wanneer het Hem zag; zij gingen Hem te gemoet, en befchouwden het als eene buitengemene weldaad, wanneer Hij tot hun intrad; zij bragten alle kranken , en die ongeneesfehjke kwalen hadden, van alle kanten tot Hem, en indien deze

niet

(*) Rom. XI: II. (t) Luc. VI: 19.

K 2