Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zo

DE RUSSEN

men den Prins afvalt en het met de patriotten houdt; heb ik u niet zoo dikwijls gewaarfchuwd van toch die patriotten en hunne vrijheid te laaten vaaren; maar neen, gij moest exerceeren, gij moest mcê munnikkcpael wezen, gij moest naar de grond-vergaaringen loopen, gij moest ....

gij moest maar dat doet 'er niet toe; wij zullen uw

goed wel bergen, en wij neemen u onder onze pertexie. Als Zijn Hoogheid en onze vrienden hier koomen, zal ik en mijn man voor u fpreeken, en dan zullen zij u gebade fchenken, daar twijfel ik niet aan.

T E TJ N I S.

Ik dank u, vrouw Jansfen, voor uw goeden wil, maar ik vrees dat gij misfchien werk genoeg zult hebben om uw eigen goed te bewaaren. Gj kent uwe vrienden uog niet, en gij weet niet hoe zij in de Zijp huis gehouden hebben, daar de meeste van uwe partij hunne Oranje-vrieuden reeds zo moede zijn, dat zij hen vervloeken, en wel wenschtea dat zij nooit gekoomen waren, en vooral de Rusfen.

SAARTJE.

ó Hemel! wat zal ons overkoomen!

TRIJNTJE JANSSEN.

Lastering! lastering! hoe! onze lieve Prins zou in zulk liegt gezelfchap koomen; wel! daar is hij te braaf'cn te ^odsdienfrig toe. Geloof het niet, Teunis; men heeft u. dat gezegd om u nog meer vervaard te maaien. En die

braav;

Sluiten