Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER OPENBAERING. VIII. BOEK. ?

veracht , kan men niet lievhebben. Hier

van daen is het , dat hoogmoed,ge menfehen alleen zich zelve beminnen , en geene achting of toegeneegenheid hebben , voor anderen , dan alleen voor zulken , die , op de eene of andere wys j voedfel aen hunnen hoogmoed

verfchaffen. . ,

De lievdeloosheid is een uitwerkiel

van het zeedenlyk bederv. Alle soorten

van ondeugden hebben haeren oorfprong , uit de natuurlyke verdorvenheid; maer er is geene zonde zo algemeen, als de lievdeloosheid. De onderfcheidene Temperamenten maeken , dat de ééne mensch meer o verhelle, tot deeze, en een ander, tot geene zonde. Maer de lievdeloosheid hebben alle natuurlyke menfehen gemeen. — Ook is de Lievdeloosheid , van alle zonden , het diepst ingeworteld , en het moetlykst, om te beftryden. Deeze is ook de reden , dat het Euangelie nergens meer en meenigvuldiger op aendringe, dan op de Liev de , en de Lievde voorftelle , als een zeeker kenmerk des geloovs , en der inwendige verbeeiering van het hart.

De ondervinding beilist de zaek volkoomen , en moet elk overtuigen , dat de l i e vdkloosheid, uit hoofde van het zeedenlyk bederv , allen menfehen , van natuure, gemeen zy , en zelvs den zulken , welker harten , door Gous genaédë , verbeeterd zyn,

xi. deel. A 4

Sluiten