is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanmerkingen over het zevende capittel uit het boek der godspraaken van Jesaia.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

éd Voorbereidende aanmerkingen

de laatfte plaats wordt insgelyks onderfcheid gemaakt tuflehen die , die de ziele zogten van Farao Hophra, cn de ziele van de geene, die op hem vertrouwden, en tuffchen Nebucadnezar, den Koning van Babel. De zin der aangehaalde Profectficn is , dat de Heere de Egiptenaaren mefi hunnen Koning Farao Hophra geeven zoude ten deele in de hand van inlandfche vyanden, die hen de Heere verwekken zoude, ten deck in de hand van uitlandfche, Nebucadnezar den Koning van Babel en zyne knegten; en dat het laatfte op het eerfte fchiclyk volgen zoude. Wy hebben eene onderfchcidinge gemaakt, die den beminnaaren van de heilige Orakelrollc zoo veel aanncemelyker zal voorkomen , als dezelve dienftiger is, om de vervullinge van. het Profeetifch woord tot eenen hoogeren trap van klaarblykelykheid te brengen. Want Herodotus verhaalt omftandig op het einde van zyn tweede boek, dat het de eigene onderdaancn van Farao Hophra geweeft zyn, die deezen Koning om het leeven gebragt hebben ter oorzaake van zyne gepleegde wreedheid; waar door naar het getuigenilfc van deezen hiftoriefchryver de Egiptenaaren zoo verbitterd werden, dat zy, na dat deeze Vorft door Amafïs overwonnenen ingevangkeniffe verzekerd was, deszelfs dood met den ftcrkften drift begeerden , niet ruftende, voor dat ze den gevaneen Koning, dien Amafis wilde verfchoond hebben, in hun geweld gekreegen, en van het leeven beroofd hadden. Zoo werdt Farao Hophra en die, die op hem vertrouwden, gegeeven in de hand hunner vyanden en die hunne ziele zogten. Zulks gebeurde waarfchynlyk eenigen tyd,

voos