is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanmerkingen over het zevende capittel uit het boek der godspraaken van Jesaia.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70 Voorbereidende aanmerkingen

de regecring van Jofia vernietigd , en AlTyrien aan hun gebied onderworpen hebbende , om dat ze nu Koningen van Babel en Aflyrien waren , meermaalen in de H. Schrift by verkorting of Koningen van Babel, of Koningen van Affyrien genoemd worden. Reeds, eer ze het Koningryk van Aflyrien aan de kroon van Babel gehegt hadden, werdt aan hen in de Schriften der Profeeten (en ook in die alleen ) dc laatftgenoemde titel gegeeven. Jefaia op de wyze der Profeeten de aanftaande onderwerping yan Aflyrien aan de heerfchappy der Babiloniers zig zoo yoorftellende, en aan anderen voordraagende , als of dezelve aireede gefchied waare, voorfpelde onder de regeering van Achas, dat de Koning van Affyrien zoude voortdryven de gevangene der Egiptenaaren en der Mooren $ en dat de inwoonderen van Juda, ziende deeze hunne bondgenooten, waar op ze hun vertrouwen ftelden, overwonnen, niet weeten zouden, hoe ze zouden kunnen ontkoomen van het aangezigte des Konings van Affyrien. Jef. XX. vs. 3—6. Deeze voorzegging begon vervuld te worden in het 4de jaar van Jojakim, den zoon van Jofia, wanneer Nebucadnefar, de Koning van Babel en Affyrien, het heir der Egiptenaaren (waar onder ook Mooren waaren (*),) floeg aan de riviere Frath by Carchemis, volgens Jerem.

XLVI.

(*) Dat'er Mooren onder geweeft zyn, blyktdui«ielyk uit Jer. XLVI. vs. 9 en 10. Trekket op, gy paarden, enraazet gy wagens, en laat de helden uittrekken, DE MOOREN — maar deeze dag is des Heeren ,— nfiant de Heere der Heirfcbaaren heeft een flagtoffer in de» hnde va» betNoerde» «an de RIVIERE PHRATFL