Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( *7 )

mynen jongen Leezeren het volgende geval verhaale'.i. Wy reeden namelyk voorby eenen akker, waarop vlas in den vollen bloei ftond. Een van myne reisgenooten, anders een verftandig koopman uit eene aan. zienelyke ftad, vestigde zyne oogen daarop en vroeg met nieuwsgierigheid: welk foort van graan dit was? Of het gerst of tarwe was? — Had men deezen man een techeester of een koffy-boom getoond: hy zou het misfchien gekend hebben. Maar ons duitsch vlas, onze vaderlandfche gerst en onze tarwe kende hy niet. Is 't dan alleen prysfeiyk en nuttig, dat geene te kennen , het welk eenige duizend mylen verre van ons is , en daarentegen vergeeflyk of onverfchillig, om met de natuurlyke voortbrengfelen van ons eigen vaderland onbekend te blyven ?

Naar maate men het aan het Luneburgfche grenzende hertogdom Brunswyk nadert, neemt de betere gefteldheid van het land toe. De woeste heiden en moerasfen verdwynen, en ruime welbezorgde velden en vruchtbaare beemden komen in derzelver plaats. Maar eer ik thans het Keurh3nno-

ver-

Sluiten